Verbeeltenis

praktijk voor speltherapie

Binnen speltherapie zet ik soms semigestructureerde opdrachten in om gerichter tot de problematiek te komen. Ik volg dan nog steeds een kind. Doe suggesties. Als een kind daar niks mee wil doen, omdat het er niet aan toe is of omdat het te direct is, dan is dat ook prima. De Verbeeltenis vertelkaarten gebruik ik ook. Daarna kunnen we erover spelen.

Loslaten

Vandaag is Sophie (10) in de spelkamer. Ze mag drie kaarten kiezen uit de gele stapel. Ik leg uit dat het vandaag om de plaatjes gaat. “Wil je ze zien en dan uitkiezen? Of wil je kaarten trekken uit de stapel?” Ze wil wel kaarten trekken. Dat vind ik prachtig, want enkele weken geleden zou ze dit niet durven doen.  Ze had het toen nodig om veel grip te houden en zou dan de plaatjes echt wel van te voren willen zien en zelf uitkiezen. Nu is ze zover dat ze dit los kan laten.

Wasknijperlijn

We hangen de kaarten met een wasknijper op een lijn. De plaatjes zijn: een oog, een veer en een engel. Ze zegt van de engel dat het een fee is. Daarmee maakt ze haar eigen associatie. Prachtig hoe de verbeelding gaat werken. Over het oog zegt ze ineens: “ik heb blauwe ogen!” Ik vraag of ik haar in de ogen mag kijken. Dat mag en ik benoem een vlekje in haar oog. Haar ogen gaan glimlachen, want ze herkent het en vindt het leuk dat ik het zie. Ik vraag haar of ze mijn kleur kan zien. Ze kijkt en vraagt voorzichtig: “bruin?” “Dat klopt”, roep ik enthousiast, zullen we naar het volgende kaartje gaan?” “Een veer”, zegt ze en het gesprek komt op vogels. Dat vogels zo weg kunnen vliegen als ze maar willen. En dat ze misschien wel heel veel kunnen zien. En dan het laatste kaartje, de fee. Ze zou wel een fee als vriendin willen hebben. Het lijkt haar leuk. Die kan zo mee overal naartoe.

 

Mason en Gwen
Share This