Ze (6) zet spullen in de winkel en zegt dat ze niet zoveel neerzet. Ik wacht nog af op haar teken, omdat ze de winkel nog aan het inrichten is en dan zegt ze: “Je moet komen, de winkel is allang open”.
De zelfscan is pas straks open, ik moet het op de band zetten. Ik zet een paar boodschappen op elkaar om ruimte te besparen, maar ze ordent mijn boodschappen en legt ze achter elkaar. Ze gebruikt een houten aubergine als beurtbalkje. Ik benoem: “Goh, er liggen niet zoveel boodschappen in de winkel” (terug spiegelen, gehoord en gezien worden). “Dat klopt”, zegt ze, “de voorraad is leeg en er moet nog nieuwe komen”.
Taalbegrip & taalgebruik
Ze gebruikt woorden in haar spel, klinkt heel volwassen vanuit haar rol, zich bewust van het doen-alsof spel en ik neem haar serieus. Als ik muntjes en briefjes geef zegt ze dat ik contant kan betalen, met mijn telefoon. Ze gebruikt veel woorden die in de context passen, maar waarvan ze nog niet helemaal weet wat het betekent (verschil tussen taalbegrip en taalgebruik) maar ik speel het spel mee. Ze heeft de regie en neemt de leiding, toont initiatief. Zelfverzekerd binnen deze spelcontext. Dat is heel bijzonder voor dit meisje. Het is een meisje die niet zo op de voorgrond treedt en kan nu veilig oefenen.
Ze heeft gezien dat er nog een leren rugtasje is. Ze vindt dat ik die moet gebruiken om de boodschappen straks in te doen. Als ik bij de kassa sta krijg ik instructies van de kassamevrouw. De rugtas kan ik op mijn rug doen en het etui bij me dragen. Ze ordent bij het inpakken van de boodschappen mijn tas: “Als je deze in je voorvakje doet, dan heb je je handen vrij”.
Kastanjes
Ook kan ik bij deze supermarkt punten sparen. Het zijn kastanjes waar ik een grote stapel van op tafel heb gelegd. Kastanjes die op elk kind een ander appèl doen. Ik hou daar van. Je hoeft er zelf niet over te beginnen. Je legt het neer en je ziet wel of een kind er iets mee doet of niet. Bij de een gaan we ze verstoppen en vinden. De ander wil er met klei slakken van maken, maar zij gebruikt het dus als bonusmateriaal in het winkelspel. Iets waar je graag voor spaart, wat je graag wilt hebben. En ik speel mee.
“U komt straks nog een keer boodschappen doen hè?”, vraagt ze. “Ja”, zeg ik, “straks kom ik terug”. En als ik zogenaamd thuis mijn boodschappen opruim, zeg ik hardop denkend vanuit mijn rol: “Ik moet zo nog even terug naar de winkel, want ik ben groente en fruit vergeten te kopen”. Waarop haar actie direct is dat zij groenten en fruit pakt en in haar winkel legt. Mijn indirecte opmerking was niet toevallig, ik wilde zien of zij openstaat voor de input van een ander en wat zij ermee doet (mentaliseren).
Fijn en niet fijn
Ik kom weer boodschappen doen, de actie van de bonuspunten bestaat nog steeds. Ze heeft haar winkel weer opnieuw ingericht met andere boodschappen. Ze ordent ze, shampoo bij shampoo, groenten bij groenten. Ik moet tegelijkertijd wel al boodschappen in mijn mandje doen. Ik verwoord daarbij dat ik dit wel lastig vind, omdat ik zoveel dingen tegelijkertijd zie en dat het steeds veranderd. Dat ik dan niet goed weet wat er is en wat ik nog moet hebben. Soms vist ze boodschappen uit de voorraad en legt die weg. “Die lust ik niet, die komen niet in mijn winkel”. Champignons, vis, pindakaas en kaas. Ik vraag of deze zijn afgekeurd en ze moet lachen, “Ja, afgekeurd”, zegt ze, en bij elke champignon herhaalt ze dit woord (onderscheid maken tussen iets wat fijn is en niet fijn is en dit aan kunnen geven). Ik reageer: “Dus je lust ook geen kaas? Oh…ik vind kaas wel heel lekker”. En na een tijdje legt ze een plakje kaas in haar winkel. “Nou vooruit”, zegt ze, “Voor deze ene keer mag er een plakje kaas in mijn winkel, omdat jij die lekker vindt”.
Recente reacties