Ik heb zo mijn vaste structuren bij de wekelijkse spelsessies (waar ik overigens van af kan wijken omdat het beter past in een bepaalde context, bij een kind). Daarnaast ontstaat er bij elk kind een eigen ritueel. Bij de een is dat ‘eerst even vertellen hoe school was’ om voor zichzelf ruimte te krijgen om zich over te kunnen geven aan spel. Bij dit meisje (10) is het dat ze graag wil beginnen met een plaatje kiezen uit mijn Verbeeltenis vertelkaarten. Wat we vervolgens met het gekozen symbool gaan doen is wisselend. Vaste structuren, rituelen geven houvast zeker bij kinderen die het nodig hebben om grip te houden. Ook hersenen houden van voorspelbare, terugkerende elementen. Daar hoef je geen hulpvraag voor te hebben. Het helpt kalmeren (reguleren).
Samen op onderzoek
Dit keer kiest ze een plaatje waarover ze aan mij vraagt: “wat is dat eigenlijk?” Waarop ik naar het plaatje kijk en me samen met haar afvraag wat het is. “Weet jij het?” Vraag ik. De reden dat ik mij zo opstel is dat kinderen hierdoor ruimte krijgen om zelf na te denken. Sommige kinderen zeggen als eerste reactie: “ik weet het niet”. Bijvoorbeeld uit angst het fout te doen, bang voor een reactie. En als ze geen idee hebben – wat net zo goed kan- dan gaan we samen op onderzoek, in plaats van dat ik vanuit mijn beter-weten-want-veel-meer-jaren-levenservaring wel even invul wat het is. Daardoor kunnen er meerdere opties ontstaan wat eventueel de betekenis is. Dus, in dit geval, zeg ik “laten we samen nog eens goed kijken…” En ineens roept ze enthousiast “ik weet het!” En met dat enthousiasme springt ze omhoog. “Je hebt dat met ganzenbord ook”, zegt ze, “de put!” “Hé, ja!”, roep ik enthousiast terug, “Hoe gaat dat dan?”, mezelf hardop afvragend. Zij: “Het is niet leuk, je valt in de put en moet heel lang wachten”. ”Nee, dat is niet leuk!”, bevestig ik.
Huilen in de put
Vervolgens mag ze kiezen wat we gaan spelen en ze wil spelen in het zand met Playmobil. Ze speurt rond wat ze nodig heeft voor haar verhaal. Uit een hoekje komt de put tevoorschijn. Hij wordt geplaatst naast een zogenaamd huis van houtjes. Vandaag krijgt haar gekozen symbool een doorwerking in haar verhaal. Ik krijg de rol van een meisje. En ik moet in de put zitten en huilen en roepen en niemand komt mij redden uit de put. “Niemand doet iets”, “niemand komt”, roept ze met haar figuren. En het werd nacht en de mensen gingen slapen in hun huis en jij zat daar. Ik verplaats mijzelf in een meisje wat in een put is gegooid. Ik krijg er beelden bij van een klamme donkere put met van dat glibberige groen aan de binnenkant, het heeft een bepaalde geur, ik kan er niet uitkomen en verplaats me in het gevoel van dit kind. Ik ben getuige. Ik verwoord vanuit mijn spelfiguur dat ik me heel erg alleen en verdrietig voel. Ik doe dit om erkenning te geven aan wat deze figuur moet doorstaan waarop ik wellicht erkenning geef aan het meisje in mijn spelkamer. In het gehoord en gezien voelen van het verdriet en de pijn. Het spel kent (voor vandaag) geen happy-end. Het meisje wordt niet bevrijd. En ook dat is oké in de spelkamer. Het verdriet en de machteloosheid moet op dit moment prominent een plek hebben. Ik sluit de sessie wel met wat luchtigs af, want dat gaat niet vanuit een grote piek van spanning in zo’n verhaal. ik zorg ervoor dat zij zo weer huppelend de spelkamerdeur uit kan, haar dagelijkse leven in.
Bestel hier de Verbeeltenis vertelkaarten als je er ook mee wilt werken.
Recente reacties